Vonnis Rechtbank Haarlem

In een tussenvonnis van de rechtbank Haarlem op 1 juni 2011, heeft de rechter de aanvraag tot aanhouding van Transavia van tafel geveegd. In het vonnis bevestigd de rechter dat er geen reden is tot het afwachten van prejudiciele vragen met betrekking tot het Sturgeon-arrest en de EG Verordening 261/2004.

 

In een tussenvonnis van de rechtbank Haarlem op 1 juni 2011, heeft de rechter de aanvraag tot aanhouding van Transavia van tafel geveegd. In het vonnis bevestigd de rechter dat er geen reden is tot het afwachten van prejudiciele vragen met betrekking tot het Sturgeon-arrest en de EG Verordening 261/2004.

 

beschikking

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

Zaak/rolnr.: 494985 /CV EXPL 11-345
datum uitspraak: 1 juni 2011

ROLBESCHIKKING

inzake

1.————————

2. ————————

3. ————————

4. ————————

5. ————————

6. ————————

allen te xxxxxxxx
eisers
hierna te noemen de passagiers
gemachtigde: Wiggers van Meggelen gerechtsdeurwaarders

tegen

de commanditaire vennootschap met een beherend vennoot
TRANSAVIA AIRLINES C.V.

te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen Transavia
gemachtigde: mr. G.J. van de Beek

De procedure

De passagiers hebben Transavia gedagvaard op 30 december 2010. Transavia heeft verzocht om aanhouding van de zaak totdat het Hof van Justitie heeft geantwoord op de gestelde en aangekondigde prejudiciële vragen. De passagiers hebben zich verzet tegen aanhouding.

Overwegingen

1. De vraag die in deze procedure onder meer centraal staat is of passagiers van vertraagde vluchten, net zoals passagiers van geannuleerde vluchten, aanspraak kunnen maken op de compensatieregeling van artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 295/91 (hierna: de verordening). Het Hof van Justitie heeft – in antwoord op hierover gestelde prejudiciële vragen in het Sturgeon arrest (Hof van Justitie 19 november 2009, nummer C-402/07 en C-432/07) – geoordeeld dat, hoewel dat niet uitdrukkelijk uit de tekst blijkt, uitleg van de verordening ertoe leidt dat ook passagiers van vertraagde vluchten, ingeval zij hun eindbestemming drie of meer uren na de oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken, aanspraak kunnen maken op de compensatieregeling van artikel 7. In dit arrest is overwogen dat passagiers waarvan de vlucht is geannuleerd en die waarvan de vlucht is vertraagd vergelijkbare schade lijden, namelijk in de vorm van onomkeerbaar tijdsverlies. De in artikel 7 genoemde gestandaardiseerde vergoeding is volgens het arrest bedoeld als compensatie voor dat onomkeerbare tijdsverlies.

2. De luchtvaartmaatschappij stelt samengevat dat het aannemen van een rechtop compensatie voor passagiers van wie de vlucht is vertraagd in strijd is met:

Volgens de luchtvaartmaatschappij is het Sturgeon arrest onduidelijk en roept het nieuwe rechtsvragen op. Er is in Europa discussie ontstaan over de uitleg van het Sturgeon arrest, wat er onder meer toe heeft geleid dat The High Court inmiddels aanvullende prejudiciële vragen heeft gesteld en ook de kantonrechter Breda het voornemen heeft uitgesproken om een prejudiciële vraag te stellen. Gelet op de met het Gemeenschapsrecht beoogde uniformiteit is ook in de onderhavige zaak aanleiding om (opnieuw) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, althans om deze zaak aan te houden tot het Hof van Justitie antwoord heeft gegeven op vorenbedoelde prejudiciële vragen, aldus nog steeds de luchtvaartmaatschappij.

3. De passagiers vinden aanhouding niet noodzakelijk. Zij beroepen zich op de uitkomst van het Sturgeon arrest, dat volgens hen duidelijk is en geen nieuwe rechtsvragen oproept. Met het verzoek tot aanhouding wil de luchtvaartmaatschappij de procedure verder vertragen. Dit is onaanvaardbaar. De voorgestelde vragen zijn een verkapt appel tegen het Sturgeon arrest. Dat is verboden, aldus de passagiers.

4. De kantonrechter in Haarlem heeft bij vonnis van 15 juli 2010 (LJN: BN2126) in een soortgelijke zaak al geoordeeld dat voor verdere aanhouding geen aanleiding was. Voor zover van belang is daarin het volgende overwogen:

“Vooropgesteld wordt dat de in Sturgeon beantwoorde vraag, namelijk -samengevat- of passagiers van vertraagde vluchten, naast passagiers van geannuleerde vluchten eveneens aanspraak kunnen maken op de compensatieregeling van artikel 7 van de Verordening, in liet IATA arrest niet aan de orde is geweest, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van tegenstrjdigheid op dit punt Dat in het IATA arrest is overwogen dat artikel 6 van de Verordening duidelijk is, maakt nog niet dat de overweging in het Sturgeon arrest dat er – samengevat- geen enkele objectieve rechtvaardiging te vinden valt voor het gesignaleerde verschil in behandeling tussen “vertraagde” en “geannuleerde” passagiers en de daaraan in het Sturgeon arrest verbonden conclusies, strijd oplevert met liet IATA arrest of anderszins onrechtmatig zouden zijn. Van strijd met het Verdrag van Montreal evenmin gebleken. In het IATA arrest is reeds uitgemaakt dat de standaard compensatie uit de Verordening moet worden onderscheiden van de in liet Verdrag van Montreal bedoelde individuele schadevergoeding en dat beide vormen van schadevergoeding naast elkaar kunnen bestaan. Het Sturgeon arrest maakt dit niet anders. Kortom, het Hof van Justitie is bevoegd de Verordening uit te leggen, zij heeft dit in het Sturgeon arrest gedaan en daarbij met in achtneming van het geldende recht – waaronder met name het gelijkheidsbeginsel – aangesloten bij eerdere uitspraken die – evenals de Verordening- uitgaan van de bescherming van de passagier. Van strijd met fundamentele rechtsbeginselen of internationale verdragen is niet gebleken. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding nieuwe c.q. aanvullende prejudiciële vragen te stellen.”

5. De op 10 augustus 2010 door The High Court gestelde prejudiciële vragen luiden (volgens een door de luchtvaartmaatschappij overgelegde, onweersproken, vertaling) als volgt:

1)      Dienen de artikelen 5-7 van de Verordening (EG) Nr 261/2004 uitgelegd te worden als mede omvattende de verplichting om de in artikel 7 genoemde compensatie te betalen aan passagiers van wie vluchten onderhevig zijn aan vertraging in de zin van artikel 6, en indien ja, in welke omstandigheden?

2)      Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, zijn dan de artikelen 5-7 van Verordening (EG) Nr 261/2004 geheel of gedeeltelijk ongeldig op grond van schending van het beginsel van gelijke behandeling?

3)      Indien Vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, zijn dan de artikelen 5-7 van Verordening (EG) Nr 261/2004 geheel of gedeeltelijk ongeldig vanwege (a) onverenigbaarheid met het verdrag van Montreal: (b) schending van het evenredigheidsbeginsel; en/of (c) schending van het rechtszekerheidsbeginsel?

4)      Indien Vraag 1 bevestigend en Vraag 3 ontkennend wordt beantwoord, dienen er dan grenzen of beperkingen te worden gesteld aan de tijdelijke gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie in deze zaak en zo ja, welke?

5)      Indien Vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, welk gevolg dient er dan gegeven te worden aan de Sturgeon uitspraak tussen 19 november 2009 en de datum van de uitspraak van het Hof van Justitie in de onderhavige zaak?

6. Het Amtsgericht Köln heeft op 3 november 2010 besloten prejudiciële vragen te stellen, die met name zien op de verhouding tussen de verordening en het Verdrag van Montreal.

7. Het feit dat The High Court en het Amtsgericht Köln inmiddels aanvullende prejudiciële vragen hebben gesteld en het voornemen van de kantonrechter Breda (vonnis van 20 oktober 2010, LJN: B01083) om een prejudiciële vraag te stellen, heeft de kantonrechter aanleiding gegeven nogmaals na te gaan of het Sturgeon arrest nieuwe rechtsvragen oproept, die beantwoord moeten worden, alvorens een (eind) beslissing kan worden gegeven in de onderhavige zaak.

8. Ingevolge artikel 267 VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) is de kantonrechter gehouden tot het stellen van prejudiciële vragen indien kort gezegd geen hoger beroep mogelijk is en beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil. Op de kantonrechter rust dan een “verwijzingsplicht”. Deze verwijzingsplicht bestaat echter niet indien een gerezen vraag al in een eerder arrest van het Hof van Justitie is beantwoord. Daarbij is niet van belang dat de vraagpunten in de geschillen niet identiek zijn (Hof van Justitie 6 oktober 1982, C-283/8 1; Cilfit arrest).

9. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er in het onderhavige geval geen verwijzingsplicht. De door de luchtvaartmaatschappij voorgestelde vragen, de door The High Court en het Amtsgericht KöIn gestelde vragen en de naar verwachting nog te stellen vraag van de kantonrechter te Breda, zijn al beantwoord in eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie, met name in het Sturgeon arrest en het IATA arrest. De kantonrechter verwijst naar wat hierover is overwogen in de hiervoor geciteerde uitspraak van 15 juli 2010 en in de uitspraak van de kantonrechter Breda. Met de kantonrechter Breda is de kantonrechter van oordeel dat bij gebreke van een tegenstrijdigheid tussen de arresten IATA en Sturgeon van rechtsonzekerheid geen sprake is.

10. Anders dan de kantonrechter Breda en het Amtsgericht Köln, oordeelt de kantonrechter dat het Hof van Justitie ook de vraag of sprake is van strijd met de slotzin van artikel 29 van het verdrag van Montréal al heeft beantwoord, met name in het IATA arrest. In dat arrest is immers aangenomen dat vergoeding van individuele schade ten gevolge van tijdverlies op grond van het verdrag van Montréal en vergoeding van gestandaardiseerde schade (in het onderhavige geval bestaande uit onomkeerbaar tijdverlies) op grond van de verordening naast elkaar kunnen bestaan.

11. Met de door The High Court en het Amtsgericht Köln gestelde vragen, wordt het oordeel van het Hof van Justitie dat om in het Sturgeon arrest genoemde redenen compensatie verschuldigd is bij vertraging, opnieuw aan de orde gesteld. Daarmee wordt in feite de geldigheid van het Sturgeon arrest in twijfel getrokken. Dit is volgens het Wunsche arrest (Hof van Justitie 5 maart 1986, C-69/85) niet toegestaan.

12. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat er in casu geen sprake is van nieuwe rechtsvragen en dat de kantonrechter daarom geen verwijzingsplicht heeft. Dit heeft ook tot gevolg dat er geen gronden zijn om de behandeling van dit geding aan te houden totdat op de door The High Court en/of de kantonrechter te Breda en/of het Amtsgericht Köln gestelde vragen door het Hof van Justitie zal zijn beslist. De kantonrechter ziet dan ook nog steeds geen aanleiding om zaken als de onderhavige verder aan te houden. De procedure zal worden voortgezet.

De beslissing
De kantonrechter:

verwijst de zaak voor het hiervoor vermelde doel naar de rolzitting van woensdag 29juni 2011 te 10.00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van Transavia;

Deze conclusie moet in tweevoud worden ingediend onder vermelding van bovengenoemd kenmerk en kan per Post worden verzonden aan deze sector. De conclusie moet uiterlijk de dag voor de rolzitting ter griffie zijn ontvangen.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Dubois, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

 

 

Geef een reactie

wpDiscuz
Vragen? Chat of bel